Kort samengevat
Sirtuïnes vormen een familie van enzymen (SIRT1 tot SIRT7 bij mensen) die NAD+ als brandstof gebruiken om eiwitten te modificeren die betrokken zijn bij DNA-herstel, metabolisme en de reactie op celstress.
De belangstelling voor sirtuïnes ontstond bij gist, waar het gen Sir2 nodig bleek voor het effect van calorierestrictie op de levensduur. Bij zoogdieren zijn er zeven sirtuïnes (SIRT1–SIRT7), verspreid over de kern, het cytoplasma en de mitochondriën, en ze delen allemaal één eigenschap: ze hebben NAD+ nodig om te functioneren, wat ze tot een sensor van de energietoestand van de cel maakt.
SIRT1 is het meest onderzocht: het reguleert factoren die betrokken zijn bij mitochondriale biogenese, de reactie op oxidatieve stress en DNA-herstel. Dit plaatste SIRT1 centraal in het onderzoek naar resveratrol, dat in 2003 werd voorgesteld als directe activator van SIRT1; latere studies bevraagden dat mechanisme en toonden aan dat een groot deel van het waargenomen effect in de eerste experimenten deels een artefact was van de gebruikte laboratoriummethode.
Omdat NAD+ met de leeftijd afneemt in verschillende weefsels, wordt verondersteld dat de sirtuïne-activiteit daarmee parallel daalt, wat de belangstelling voor NAD+-precursoren zoals NMN of NR verklaart. Deze redenering is mechanistisch samenhangend, maar bij mensen is niet aangetoond dat het herstellen van NAD+ ook de sirtuïne-activiteit op klinisch relevante wijze herstelt, of dat dit de levensduur verlengt.