Kort samengevat
Observationeel onderzoek volgt een groep mensen in de tijd en registreert wat er met hen gebeurt zonder dat de onderzoeker bepaalt welke blootstelling of behandeling elke deelnemer krijgt.
Dit onderzoeksontwerp is vaak de enige haalbare manier om bepaalde vragen te onderzoeken — bijvoorbeeld het effect van een levenslange voedingsgewoonte, of zeldzame langetermijnbijwerkingen — omdat een gerandomiseerde trial daarvoor onethisch, onbetaalbaar of praktisch onmogelijk zou zijn. Grote cohortstudies hebben waardevolle inzichten opgeleverd, zoals de relatie tussen cardiorespiratoire capaciteit en sterfte.
Het fundamentele probleem is dat mensen die een bepaalde blootstelling of gewoonte hebben (bijvoorbeeld regelmatig sporten, of een bepaald supplement gebruiken) op systematische wijze kunnen verschillen van mensen die dat niet doen, op manieren die de onderzoeker niet volledig kan meten of corrigeren — de zogeheten confounding. Een waargenomen associatie kan daardoor gedeeltelijk of volledig worden verklaard door deze onderliggende verschillen, in plaats van door de blootstelling zelf.
Observationeel bewijs is nuttig om hypotheses te genereren en om signalen te vinden die vervolgens in een gerandomiseerde trial kunnen worden getoetst, maar het kan op zichzelf geen oorzakelijk verband bewijzen. Veel longevity-claims die uiteindelijk niet standhielden in RCT's — waaronder sommige vitaminesupplementen — waren aanvankelijk gebaseerd op veelbelovende observationele associaties.