Kort samengevat
Een confounder is een variabele die samenhangt met zowel de onderzochte blootstelling als met de uitkomst, en die daardoor een schijnbaar verband tussen de twee kan veroorzaken of vertekenen zonder dat er een werkelijk oorzakelijk verband bestaat.
Een klassiek voorbeeld: mensen die multivitaminen gebruiken, hebben in observationele studies vaak een betere gezondheid dan mensen die dat niet doen. Dit kan komen doordat multivitaminegebruikers gemiddeld ook gezonder eten, meer bewegen, minder roken en een hoger inkomen hebben — allemaal factoren die zelf de gezondheid beïnvloeden en die samenhangen met de neiging om supplementen te gebruiken. Het supplement zelf hoeft geen enkel effect te hebben.
Onderzoekers proberen bekende confounders statistisch te corrigeren via multivariate analyse, maar dit lost het probleem alleen op voor factoren die daadwerkelijk zijn gemeten. Onbekende of niet-gemeten confounders (residuele confounding) kunnen een associatie blijven vertekenen, ongeacht hoe geavanceerd de statistische correctie is.
Dit is precies het probleem dat randomisatie in een gerandomiseerde gecontroleerde trial oplost: door de toewijzing aan groepen aan het toeval over te laten, worden zowel bekende als onbekende confounders gemiddeld gelijk verdeeld tussen de groepen, wat een veel sterkere basis biedt voor een oorzakelijke conclusie dan observationeel onderzoek alleen.