Kort samengevat
HbA1c meet het percentage hemoglobine in rode bloedcellen dat glucose heeft gebonden, en weerspiegelt daardoor de gemiddelde bloedsuikerspiegel over de voorgaande acht tot twaalf weken.
Glucose in het bloed bindt spontaan aan hemoglobine in rode bloedcellen, en omdat deze cellen ongeveer 120 dagen leven, geeft de hoeveelheid geglyceerd hemoglobine een gemiddelde weer van de bloedsuikerblootstelling over die periode, in plaats van een momentopname zoals een nuchtere glucosetest.
Klinisch wordt HbA1c gebruikt om diabetes te diagnosticeren (doorgaans vanaf 6,5 procent) en prediabetes te identificeren (doorgaans 5,7 tot 6,4 procent), en om de bloedsuikercontrole bij mensen met diabetes te monitoren. Voor longevity-doeleinden wordt een HbA1c binnen het normale bereik, maar aan de hogere kant, soms genoemd als vroeg signaal van verminderde insulinegevoeligheid, al is de klinische relevantie van kleine verschillen binnen het normale bereik minder goed onderbouwd dan bij gediagnosticeerde prediabetes.
Aandoeningen die de levensduur van rode bloedcellen beïnvloeden — bepaalde bloedarmoedes, recent bloedverlies — kunnen de HbA1c-waarde vertekenen zonder dat de werkelijke bloedsuikerregulatie is veranderd, wat een reden is om bij twijfel een nuchtere glucosetest of orale glucosetolerantietest aan te vullen.