Kort samengevat
Genomische instabiliteit is de geleidelijke ophoping van DNA-schade, mutaties en chromosomale afwijkingen die optreedt naarmate cellen ouder worden en hun herstelmechanismen minder effectief worden.
DNA wordt voortdurend beschadigd door interne bronnen (fouten bij replicatie, reactieve zuurstofdeeltjes uit de mitochondriën) en externe bronnen (uv-straling, chemische stoffen). Cellen beschikken over uitgebreide herstelmechanismen, maar deze zijn niet perfect, en de schade die ontsnapt, hoopt zich op met de tijd.
Deze ophoping omvat puntmutaties, chromosomale herschikkingen en verlies van de normale chromosoomstructuur. Bij oudere weefsels is dit meetbaar als een toename van somatische mutaties, waarvan sommige klonale expansies veroorzaken — een populatie cellen die van één beschadigde voorlopercel afstamt, wat ook een stap richting kankerontwikkeling kan zijn.
Genetische muizenmodellen met versneld DNA-herstelverlies vertonen versnelde veroudering op meerdere fronten tegelijk, wat genomische instabiliteit als een centrale motor van veroudering bevestigt. Er bestaat geen goedgekeurde interventie bij mensen die genomische instabiliteit rechtstreeks omkeert; de nadruk ligt op preventie (bescherming tegen uv en toxines) eerder dan herstel.